Rating: 0 sterren
0 stemmen

Hoofdstuk 6                          Opa belt de politie ©

Door Ans van Grinsven

Terwijl opa de telefoon pakt om de politie te bellen, loopt Meneer Mierielja naar buiten om te vertellen dat alle potjes honing gestolen zijn.
Wat schrikken ze. Druk praten ze door elkaar. Wie heeft hun honing gestolen? En waarom? Ze kunnen toch gewoon de honing kopen? Je mag toch helemaal niet stelen! En nu is het slot van hun mooie deur ook nog stuk. Wat zijn ze opgewonden. Nu hebben ze geen honing meer om te verkopen. Het is een ramp. Wat zullen de klanten wel niet zeggen als er geen honing te koop is. En waarom zijn de broodkruimels niet gestolen?
Ze begrijpen er niets van. Opa komt weer naar buiten. Het wachten is op de politie.
"Het zijn inbrekers die alleen van honing houden en niet van broodkruimels," zegt Opa. "Dus geen mieren!"  Op slag is iedereen doodstil.  Geen mieren? 
Ze hebben alleen maar mieren als klanten in hun winkel. Opa knikt. "Als het mieren zijn geweest, dan zouden ze de brood- kruimels ook meegenomen hebben." Dat begrijpen ze allemaal.
Dan moeten het anderen geweest zijn, maar wie?
"Het moet iemand zijn geweest die van honing houdt," zegt Oom Mierse. "Ja, nogal wiedes," zegt Opa kribbig.
"We moeten nagaan, wie er zoal dol is op honing," zegt Miera, de vrouw van Meneer Mierielja. "Ah," zegt opa, "dat is tenminste een verstandige opmerking."  Ze denken met zijn allen diep na.
Een paar mierenkindertjes denken dat het kinderen uit Linde- wiek zijn. "Die zijn dol op zoete honing."
"Ben je mal," zegt Opa, "Kinderen hebben thuis bij hun ouders honing. Bovendien is er vannacht ingebroken en 's nachts liggen alle kinderen in hun bed."
Tja dat is waar. Zij kunnen het dus niet zijn.