Rating: 4 sterren
1 stem

Hoofdstuk 8                           Michels vader weet wel raad ©

                                                                                 Door Ans van Grinsven

Op de plaat was een mooie foto over een grote vijver in een prachtig park. Er zwommen allerlei vissen in en Goudje zag tot zijn grote blijdschap een stel goudvissen in het heldere water. “Maar hoe hangen die plaat nu op?” wilde hij weten.
“Die plakken we aan de buitenkant,” zei Michels vader.
Daar had niemand aan gedacht dat dit kon. “Wat knap bedacht,” zei Michels moeder, “dan hangt hij toch aan de wand maar dan aan de buitenkant.”
Dus de plaat werd aan de buitenkant geplakt. Goudje zwom opgewonden heen en weer terwijl Michels vader aan het plakken was. “Zie je wel dat er iets op gevonden kon worden,“ dacht hij. Hij glom van plezier.
Nadat de plaat hing, lag Goudje onbeweeglijk in het water vlak voor de plaat. Nu had hij een prachtige plaat, net een echt schilderij. Zijn schilderij. Hij zag de prachtige goudvissen die precies op hem leken. Jammer dat het geen echte vissen waren want dan had hij een praatje met ze kunnen maken. Wat zou dat gezellig zijn.
“Zo, ben je nu tevreden?” vroeg Michel toen hij even later beneden kwam?
“Ja hoor,” knikte Goudje blij.

De volgende ochtend was Blaffie komen kijken en had de plaat bewonderd. “Nou zo’n vijver is wel een stuk groter dan die vissenkom van jou,” vond hij. Dat moest Goudje toegeven.
“Zou je niet graag in zo’n vijver willen rondzwemmen met een stel leuke vriendjes?” vroeg de hond.
“Ach, alles heeft zijn voor en tegen,” zei Goudje wijs. “Ik heb toch ook een stel vrienden hier in huis. En hier zie ik nog eens wat anders dan alleen maar water, een gezellige tuin met bomen en bloemen en die groeien niet in een vijver. En kan ik hier tv kijken. Die moderne gemakken heb je niet in vijvers. Ik heb wel niet veel ruimte om te zwemmen, maar ja er staat ook veel gezelligheid hier tegenover. Hij genoot met volle teugen van zijn mooie nieuwe vijverplaat die hij o zo graag had willen hebben. Hij praatte de hele tijd nergens anders meer over. Blaffie luisterde amper, het begon hem werkelijk te vervelen.
“Nou ik ga maar eens,” zei hij midden in een opgetogen zin van de goudvis. Hij draaide zich om en was even later de kamer uit, op weg naar boven. Goudje had niet eens door dat zijn vriendje was weggegaan, hij bleef maar door kletsen met zijn ogen op de plaat gericht.
Blaffie ging Piet Kanarie maar eens op te zoeken en opende de deur.
“Zeg, kun je niet eens aankloppen voor je binnenkomt?”vroeg Pietje boos. “Waarom?” vroeg Blaffie, “op onze kamer klop ik ook nooit aan.”
“Natuurlijk, want daar woon je. Maar als je ergens op visite gaat dan klop je netjes aan.” Toen je de vorige keer kwam met die vis in dat rare zakje, klopte je trouwens ook aan.
Blaffie deed alsof hij die opmerking niet hoorde.
“Waarom wil je dat per se?” vroeg Blaffie. Hij zag er het nut niet van in.
“Nou. je zou me in verlegenheid kunnen brengen als ik in de baas zijn spullen zit te snuffelen,” zei hij, “en als ik mijn slaapje doe vind ik het ook niet prettig.”
“O,” zei de hond, even wist hij niet wat hij moest zeggen. “Dat gedoe met kloppen vind ik zo raar. Als ik naar beneden ga, ben ik ook op visite en daar klop ik nooit aan en niemand zegt er wat van."
“Maar ik ben op goede manieren gesteld, dus ik sta erop,” hield de kanarie vol. Hij stak zijn kopje verwaand in de lucht.

Blaffie zijn luisterde met verbazing.