Rating: 0 sterren
0 stemmen

Hoofdstuk 8                                      Daar zijn ze toch ©

Door Ans van Grinsven

Maar op een ochtend was Pluisje de tafel aan het dekken in de keuken. Maar wat hoorde ze daar? Trip trip trip……..een hele mierenkolonie marcheerde door de keuken.  Krien liep voorop. Achter hem zijn vrouw en kinderen, broers, zusters, ooms en tantes, neven en nichten. Pluisje rende op haar korte pootjes naar Brombie.
“Brombie, hijgde ze, “kom gauw, ze zijn er!”
“wie?”
“Krien, je weet wel.” Ze renden met zijn allen naar de keuken en verdrongen zich om de stoet mieren.
“Zeg WAT moet dat?” vroeg Brombie.
Krien en de hele familie hielden halt.
“Hebben jullie ons bordje niet gelezen?” vroeg Brombie kwaad.
“Jawel,” zei Krien, “maar we storen ons nooit aan bordjes, anders komen we nergens.”
“Maar jullie plegen huisvredebreuk”, zei Brombie, "hoor je  dat?" HUISVREDEBREUK!!!
“Nooit van gehoord”  zei Mierus, “Wat is dat?”
“Dat je hier niet, ik zeg NIET mag binnendringen. Nu niet en NOOIT. Wij  wonen hier, hoor je?”
“Jazeker,” antwoordde Krien, “maar we komen hier niet om te wonen. We hebben ons eigen huis. We komen alleen voor het eten. Hier is een heleboel heb ik gezien.”
“Ja maar dat is van óns,” zei Brombie streng. “Jullie kunnen toch zelf naar de winkel om eten te kopen. Dat doen wij toch ook.”
“Voor honderden mieren?” vroeg Krien ongelovig, “ga nou gauw. Hoe denk je dat wij aan geld komen? Wij mieren hebben geen geld. Wij moeten het hebben van wat men aan ons geeft. En niemand geeft ons zomaar wat. Iedereen heeft een hekel aan ons. Daarom moeten wij zelf maar ons overal naar binnengaan.”
Maar nu bemoeide Twinkeltje zich ermee. “Waarom zoeken jullie geen eten in het bos? Dat doen bosmieren toch ook.”
“Ben je mal, wij zijn huismieren en geen bosmieren.”
“Maar bosmieren eten toch ook wat ze in het bos kunnen vinden?”
“Nou wij kunnen niet met ze opschieten,” zei Krien driftig. Bosmieren zijn een oorlogzuchtig volkje. Ze steken en ze bijten. Ze zijn gewoon van een ander ras. Ze zien ons al aankomen. Dan zijn we meteen in oorlog En zij zijn sterker dan wij, dus we kijken wel uit.”
“Nou, maar hier mag je in ieder ook niet komen,” hield Brombie vol.
“Nou ik weet niet hoe je dat zou willen verhinderen,” zei Krien uit de hoogte. Alle familieleden knikten en begonnen toen te lachen.
“Wij mieren laten ons niet wegjagen,” zei Krien, “en nu luitjes, aangenaam  kennisgemaakt te hebben, maar wij moeten verder.” Hij keek richting de keukenkastjes. “Werk aan de winkel.”
“Ja werk aan de winkel,” zeiden alle miertjes. Krien marcheerde kordaat verder. En verder trok de stoet familieleden. Ze trokken zich nergens wat van aan.
Brombie was werkelijk verbluft. Hij was niet gewend dat hij tegengesproken of niet gehoorzaamd werd. Nu was het hem overkomen.
“We moeten vergaderen,” zei hij om zijn gezicht te redden, “maar niet hier in de keuken.” Dan horen ze waar we het over hebben. Helemaal sprakeloos, maar eensgezind gingen ze de keuken uit naar hun kamer. Ze gingen op het bed van Floppie zitten en overlegden wat ze moesten doen.
“We moeten de honingpot over ze uit gieten.  Dan verdrinken ze daarin. Met honing en al zijn ze toch een lekkernij voor jullie beren,” zei hij tegen Brombie.
Maar dat kon Brombie niet over zijn hart verkrijgen.
Twinkeltje zei dat er lokdoosjes te koop waren bij de drogist. “Als ze daarin gaan, dan gaan ze dood.”
Maar ook dat vond Brombie heel erg. Hij vond dat er redelijk gepraat moest worden met de mieren…
“Nou daar heb je wat aan,” zei Floppie. “Ik ben voor daden! Actie, begrijp je?”
“Nou,” zei Pluisje, “we kunnen toch opnieuw met ze praten. Als ze dan nog niet willen luisteren, kunnen we altijd nog tot actie overgaan. Met lokdoosjes of de honingpot over ze uitgieten.” De anderen waren het daarmee eens. Gezamenlijk trokken ze naar de keuken. Ze zagen dat het keukenkastje openstond. De allersterkste mieren waren er in geslaagd deurtje open te duwen om wat meer licht te krijgen.
“Krien,” riep Brombie. Krien kwam uit de strooppot te voorschijn en vroeg wat hij wilde.
“Dat jullie uit ons huis weggaan.”
“Nou jij durft,” zei Krien spottend.
“Ja,” zei Brombie,  “en als jullie niet vrijwillig weggaan, dan kopen we lokdoosjes.”
“O ja?” vroeg de mier geïnteresseerd.
“Ja”, viel Floppie bij, die zetten we voor jullie neer en als jullie daarin gaan dan ga je dood.”
“Dood?”
“Ja,”  zei Floppie,  “dood ben je dan. Morsdood.
“Nou dan gaan we daar toch zeker niet in,” zei Krien.
“Dat had je gedacht,” zei Floppie,   “maar er zit zoiets lekkers in, je wordt er gewoon naar toegetrokken en voor je het weet zit je erin. Het zit meteen aan je pootjes. Het is vreselijk kleefspul,”  zei Floppie opgewekt.  “Als je weer buiten bent, dan is het al te laat.”
Nou dat is wel even schrikken voor de miertjes. Ze renden bibberend in het keukenkastje door elkaar.
“Jullie kunnen dus kiezen,” zei Brombie,  “verdwijnen òf de lokdoosjes!”
Krien zei dat er meteen vergaderd moest worden. Maar de hele familie was zo in paniek dat ze niet eens hoorden wat hij zei. m“Stilte,” gilde hij, “STILTE.” Maar nog hoorden ze niets. Mierus klom de jampot in en sleepte met veel gezwoeg de kleverige jamlepel over de rand. Met een vreselijk kabaal viel hij met een kletterend  geluid op het aanrecht. Een paar mieren hadden de lepel nauwelijks kunnen ontwijken; bijna waren ze verpletterd. Verschrikt waren ze en plotseling was het doodstil.
“We moeten vergaderen,” riep Krien en klom uit de strooppot. Hij veegde  het zweet van zijn voorhoofd.  Het kastdeurtje werd dichtgetrokken.
De knuffeldieren keken  elkaar aan. Ze hoorden een hoop geroezemoes, maar konden niet verstaan waar de mieren het over hadden. Gespannen wachtten ze op wat er ging gebeuren.
Niet lang daarna werd het kastdeurtje weer opengeduwd. Krien stond in de deuropening. Hij had een luciferstokje gevonden en er zijn witte zakdoek omheen geknoopt. Ze gaven zich over.
Aan de kant van de knuffeldieren ging gejuich op.
“Zo” zei Brombie, “de familie wordt verstandig.”
Maar alle mieren waren in tranen. Ze voelden zich verslagen. Met gebogen hoofden vertrokken ze richting keukendeur, zoals ze ook gekomen waren.
Het was stil  die ochtend onder de knuffeldieren. Eerst waren ze blij dat alle mieren opgehoepeld waren, maar ook dachten  ze aan de treurige gezichten van de mieren dat ze nu geen eten hadden.
Klaartje verbrak de stilte. “Ach,” zei ze “ze hebben honger  Brombie. Hoe moet dat nu met hun eten? Pluisje vond dat ze hen moesten helpen. "Wie is er voor?" Alle handen gingen omhoog. "Goed," zei Brombie, "we kopen extra eten en brengen dat naar hen toe. We weten alleen niet waar ze wonen maar dat kunnen we aan Eeckie gaan vragen. Hij weet waar alle dieren wonen.
Na het eten vertrokken Brombie en Pluisje naar het park. Bij Eeckie klommen ze langs het touwladdertje naar boven en hoopten dat hij thuis was. Er werd niet open gedaan.  Dan maar bij  Wollie de bosmuis langs  gaan. Wollie  ontving hen opgewekt. Ze vond het altijd gezellig om visite te ontvangen. Nog leuker was het als ze iemand helpen kon.“Krien? Natuurlijk ken ik die. Woont bij jullie in de Seringenlaan. Aan de overkant in de tuin van dat grote witte huis op de hoek. Daar wonen ze onder de haagbeuk. Ik heb het gehoord van Kiekie Mus die daar in het berkenboompje vaak een dutje doet. Blij namen ze afscheid van Wollie.
Eerst gingen ze naar huis om de anderen op te halen. Met een grote mand gingen ze naar de supermarkt en kochten zoveel tot de hele mand vol was. Daarna gingen ze naar het grote huis op nummer 92 .Al gauw hadden ze de mierenfamilie gevonden. Heel stilletjes zaten ze erbij. Maar opeens zagen ze Brombie die een volle mand droeg.  “We hebben eten voor jullie gekocht,” riep hij, en zette even later de mand op de grond. Meteen fleurden ze op en renden opgewonden op de mand af .Allemaal tegelijk kropen ze in de mand en vonden het heerlijkste eten. Wat een feest!
En...uiteindelijk werden ze dikke vriendjes met de mieren. Zo nu en dan kwam Krien met zijn vrouw en kinderen op visite op nummer 25. Maar dan op uitnodiging voor de thee. Dus alles is goed afgelopen. Er is weer rust in Huize Weltevree.