Rating: 5 sterren
1 stem

Hoofdstuk 2                                 Een vreselijke mierenplaag ©

Door Ans van Grinsven

Hoewel het heel plezierig is in Lindewiek hebben we natuurlijk ook wel eens problemen.  En dat zal ik jullie nu vertellen.  Aan de rand van ons stadje woont de mierenfamilie Mierielja in een heel groot mierenhuis. Een vader en moeder met een hoop mierenkindertjes en ze hebben een oma en een opa, een bende ooms en tantes en die hebben ook weer een hoop kindertjes. Allemaal neefjes en nichtjes. Het is dus een heel gezellige familie zo met elkaar. Maar je snapt wel dat er een hoop eten nodig is voor zo’n grote familie. En daar is juist moeilijk aan te komen. Altijd zijn ze druk in de weer om eten te verzamelen bij de huizen in het stadje, maar overal worden ze weggejaagd. De mensen in Lindewiek zijn heel erg aardig maar niet als het om miertjes gaat. Als ze in de gaten hebben dat de familie Mierielja weer in hun tuinen rond marcheert, dan worden ze opeens heel onaardig. Ze halen emmers erg warm water om over ze heen te gooien en dan gaat de bezem erover heen. Of ze kopen lokdoosjes waardoor een hele hoop van die dappere miertjes omkomen. De familie Mierielja heeft dus een hoop verdriet gehad. Maar nooit zitten ze bij de pakken neer. Altijd maken ze het er het beste van. En binnen de kortste keren worden er weer een hele boel mierenkindertjes geboren en de familie wordt weer groot en sterk tot groot verdriet van de mensen van Lindewiek. Opa Mierielja heeft heel de hele familie bij elkaar geroepen en gewaarschuwd dat ze voortaan uit de buurt van lokdoosjes en emmers water moeten blijven. De mensen zeggen dat er een vreselijke mierenplaag heerst in hun stadje en hoe onvriendelijk ze ook zijn, de mieren blijven terugkomen alsof er niets aan de hand is. Is dat dapper of niet soms? Zelfs wij mensen moeten stiekem diep in ons hart toegeven dat het toch wel dappere diertjes zijn. Zelf zouden we de moed allang opgegeven hebben.
Maar op een dag, heeft de familie Mierielja weer helemaal geen eten kunnen vinden. Alle bewoners hebben de deur op slot gedaan en alle spleetjes dichtgestopt met reepjes plakband. Buiten liggen overal weer die vreselijke lokdoosjes. Dus gaan ze er met een weide boog omheen zoals opa  hen geleerd heeft.  Ze hebben al de zoveelste tuin bezocht met hun magere lijfjes van de honger, maar opeens horen ze een zacht stemmetje. De hele rij blijft verschrikt stilstaan en ze kijken omhoog waar het geluid vandaan komt. Een lief klein meisje met dunne blonde vlechtjes staat over hen heen gebogen. "Weten jullie wel dat jullie hier helemaal niet mogen komen?” vraagt ze.
De mieren knikken en buigen verdrietig hun kopjes. Maar een klein kleutermiertje stap uit de rij naar voren: "Ik heb honger," zegt ze, "ik heb zoooo'n honger.” Dikke mierentraantjes rollen over haar wangetjes.
Het meisje zwijgt verschrikt en dan krijgt ze medelijden met hen. Ze begrijpt dat de mieren net zo goed als de mensen eten moeten hebben. Maar hoe moet ze hen helpen? Het liefst zou ze haar moeder om hulp willen vragen, maar dat kan niet want ze heeft overal lokdoosjes neergezet en is heel boos op die lelijke mormels zoals ze hen  noemt. “Ik zal nadenken en kijken wat ik eraan kan doen," belooft ze,  ze haalt een paar suikerklontjes uit haar zak, “hier hebben jullie al vast wat.” Ze verkruimelt de klontjes en legt het voor de miertjes neer. Allemaal verdringen ze zich er omheen en het word een heerlijk smulpartijtje. Ze worden er zo vrolijk van. Wat over is willen ze naar huis dragen voor opa en oma en andere familie-leden die thuis zijn gebleven. Ze bedanken haar en vragen hoe ze heet.
“Fleurtje,” zegt ze en ze vraagt waar ze wonen. “Bij de Oude Beukenboom aan het zandpad“ Die weet Fleurtje wel “en ik zal wat bedenken hoor,” roept ze hen na als de stoet vertrekt.

 

Die avond krijgt Fleurtje een prachtplannetje: Als alle mensen nu eens hun broodkruimels en suikerkorrels bewaren en die bij hen brengen, bedenkt ze, als de mieren dan beloven dat ze niet meer in hun tuinen en huizen komen.
Als mama haar die avond naar bed brengt vertelt ze over de mierenfamilie die in hun tuin is geweest. "Maar ze zijn weer naar hun huis gegaan hoor," zegt ze snel als mama boos kijkt, en vertelt het plannetje wat ze bedacht heeft.
Opeens is de boosheid van mama over. "Lieverd," zegt mama, "Dat is nog eens een goed plan. Morgen moet je op school alle kinderen hier over vertellen en alle kinderen moeten het hun ouders vertellen. En jullie moeten in de hele stad overal briefjes ophangen."
Fleurtje knikt blij. "We moeten een grote een heleboel verzamelen.”
De volgende dag krijgen alle kinderen op school erover te horen, alle ouders horen erover, ja heel Lindewiek hoort ervan. Zelfs burgemeester Lindegroen is in zijn schik en laat een grote advertentie in de Lindewiekse krant zetten. En daar staat in dat voortaan niemand meer zijn broodkruimels mag weggooien. Zelfs niet voor de vogels buiten. Die moeten het maar met wormen en zaadjes stellen die ze zelf vinden.
Het is het nieuws van de dag. Na schooltijd gaat Fleurtje met het goede nieuws naar de Oude Beukenboom. Voor het grote familiehuis staan ze met spanning te wachten. Met gejuich wordt ze ontvangen. Zo krijgen ze te horen dat er voortaan heel veel eten zal  zijn als ze beloven dat ze voortaan niet meer in het stadje zullen komen. Dat beloven ze maar al te graag.
En zo wordt Fleurtje het heldinnetje van de mieren Ze zal hen van de hongerdood redden.
Maar ook is zij het heldinnetje van heel Lindewiek. Zij zal hen van de mierenplaag redden. Er komt een prachtige foto van haar in de krant te staan.

 

Die volgende dag bewaard ieder gezin zijn kruimeltjes brood en suikerkorreltjes die over zijn. En ook  is er honing bewaard in kleine dekseltjes. Alles wordt naar het schoolplein gebracht. Het is een hele berg. Dan wordt het naar het huis van de familie Mierielja bij de Oude Beukenboom gebracht. Maar na een paar dagen ontdekken ze dat ze eigenlijk veel te veel kruimels en veel te veel suiker krijgen. In het  familiehuis ligt de berg tot aan het plafond. De bakker van Lindewiek heeft al zo veel broodkruimels voor een heel mierenweeshuis.
Dan bedenkt opa Mierielja een plan: "We openen een broodkruimeltjeswinkel, want er zijn nog veel meer mierenfamilies in de omgeving. Dan kunnen ze kruimeltjes bij ons kopen."
Als Fleurtje en alle inwoners van Lindewiek dit horen, vinden ze het een goed plan. De Burgemeester staat er van te kijken. Die verstandige mieren toch.
Opa vindt dat de hele familie mee moet helpen om de winkel op te zetten maar dat zijn oudste zoon in de winkel moet staan met zijn vrouw. De rest van de familie moet meehelpen om alles in orde brengen en dagelijks de winkel netjes en schoon te houden en reclameborden maken. De kruimels moeten in kleurige verpakkingen komen. Er is genoeg te doen.
IJverig gaan ze aan de slag. Zelfs de kleintjes helpen dapper mee. Het duurt niet lang of de winkel is klaar en kan worden geopend. Daar liggen in prachtige gekleurde verpakkingen allerlei broodkruimels, witbroodkruimels, volkorenbroodkruimels, krentenbolletjeskruimels, witte en bruine stokbrood-kruimels, tarwebollenkruimeltjes. Er is teveel om op te noemen. Ook zijn er verschillende soorten suikers, gewone witte en rietsuiker en witte en bruine basterdsuiker en kleine kuipjes met honing.
Boven de winkelruit komt een groot bord te hangen:

  

                  "De Kruimelwinkel van Meneer Mierielja"

 

staat er in  sierlijke letters.
De Burgemeester en Fleurtje mogen samen het lint doorknippen om de winkel te openen. De Burgemeester omdat hij nou eenmaal de baas is in het stadje en Fleurtje omdat zij het stadje en de mieren gered heeft. Dan is de winkel geopend. 
Dat er in Lindewiek een Kruimeltjeswinkel is geopend, gaat als een lopend vuurtje door de omgeving en overal komen mierenfamilies vandaan om inkopen te doen bij meneer Mierielja.
Dat is een hele gebeurtenis, vinden jullie ook niet?