Rating: 5 sterren
1 stem

Hoofdstuk 7                                        De mierenkolonie ©

Door Ans van Grinsven

Het was een mooie dag in de zomer. De zon stond al dagen hoog aan de blauwe hemel waar geen wolkje te zien was. Het zijn zo van die dagen dat iedereen erop wil trekken.
Tante Miep was op vakantie gegaan. Ze had een kamer gehuurd in een klein pensionnetje in Maastricht. Haar huisgenootjes vonden het niet leuk wanneer tante Miep wegging en zeker niet voor een paar weken. Maar ze maakten het er het beste van. Brombie had beloofd dat hij goed voor alles zou zorgen. Tante Miep was er van overtuigd dat alles in goede handen was en zo was ze vol vertrouwen vertrokken. Iedereen deed zijn best en zo liep alles op rolletjes. Nou ja, bijna alles.
Nu met het mooie weer hadden de knuffels ook wel zin om erop te trekken voor een stevige wandeling. Maar Lotje kon niet mee. Een paar dagen geleden had Floppie heel onhandig een emmer water laten vallen precies op haar rechtervoetje en een paar tenen waren helemaal blauw geworden. Ze kon nog steeds niet goed op haar voet lopen. Ze hadden haar gezelschap willen houden, maar Lotje had hevig tegengesputterd. Ze vond het helemaal niet erg om thuis te moeten blijven. Het was jammer als de anderen per se voor haar met dit mooie weer binnen moesten blijven. En zo waren ze toch vertrokken. 
Floppie was eerst niet mee gegaan met de wandeling. Hij was naar buiten gegaan omdat hij de poes van de buren in het zonnetje zag luieren. Dus Miauw werd weer eens flink geplaagd. Ze kon nergens een veilig plekje vinden of Floppie wist haar weer te vinden. Toen hem dat begon te vervelen, ging hij op zoek naar de anderen.
Binnen had Lotje haar mooiste meisjesberenboek klaar liggen. Ze nestelde zich behaaglijk in de grote leunstoel van tante Miep en sloeg het boek open. Spoedig was ze helemaal verdiept in het spannende verhaal van Bereloet en de Gouden honingpot. Na een tijdje merkte ze dat ze opeens dat ze erge dorst begon te krijgen. “Van het warme weer natuurlijk,” dacht ze. "Even een glaasje limonade halen." Ze legde een vouwblaadje tussen de bladzijden en legde het boek op het tafeltje naast zich. Een beetje mank, vanwege haar zere tenen, liep ze naar de keuken. Nèt had ze glas frambozenlimonade inschonken en wilde een slokje ervan drinken, toen haar oog viel op een zwart bolletje dat bewoog. Ze keek nog eens goed en zag toen dat het een kleine mier was. Lotje ging voorzichtig op haar hurken zitten en keek wat de mier aan het doen was.
“Hmmm” dacht ze,   “ik zal eens vragen wat hij hier doet.” ?????
“Meneer Mier,” riep ze.
Meneer mier keek op om te kijken waar die stem vandaan kwam en zag een beertje met krulletjes.
“Zo”, zei hij, “Ik dacht dat ik hier alleen was.”
“Zeg,” begon Lotje, “Wat doe je hier? Je bent hier ingebroken en dat hoort niet.”
“Ingebroken? Hoézo? De deur stond wijd open, ik ben gewoon naar binnengewandeld.”
“ Ja dat kan wel zijn,” zei Lotje, “Maar ík woon hier en jij woont hier niét. Je mag hier niet zomaar binnenwandelen. Stel je voor dat ik zomaar jouw huis binnenwandel.
“Nou dat mag best hoor “ zei de mier, “maar ik ben bang dat het moeilijk zal gaan, je bent veel te groot voor ons huis, je past er gewoon niet in.”
“Wat kom je hier eigenlijk doen meneer Mier?”
“Dat is ook een gekke vraag,” zei de mier, “ik zoek eten natuurlijk. Broodkruimels, suikerkorrels en dat soort dingen. Alles wat hier rondslingert is voor mij,” zei hij.
“Hier wordt geveegd, gepoetst en geboend," zei Lotje boos “hier slingert niets rond.”
De mier deed of hij dat niet erg vond. “Nou ja”, zei hij achteloos, “dàn de kasten maar in hè?”
“Hoe wou je dat doen, je bent zó klein en de kast is zó hoog.”
“Nou gewoon klimmen.”
Lotje viel zowat om van verbazing. “Heb je dan een laddertje bij je?” vroeg ze.
“Hoeft niet”, zei de mier. “Ik loop gewoon langs de wand naar boven.”
“Wàt zeg je me nou? Dat kan zelfs ik niet eens.”
“Maar wij mieren wel; je zult versteld staan wat wij mieren allemaal kunnen. Wil je het eens zien?”
“Nou, ik ben benieuwd,” zei Lotje.
De mier deed het voor en liep zonder enige moeite een stukje tegen wand omhoog. Lotje was stomverbaasd.
“Tussen haakjes”, zei de mier, “nu we elkaar toch ontmoet hebben: “ik heet Krien de Mier. Ik ben de baas van de kolonie, en zet het spoor uit naar het eten voor de andere mieren.”
“Ben je dan niet alleen?” vroeg Lotje verschrikt?
“Welnee, we zijn met een paar honderd. Zodra ik ergens eten heb gevonden, dan roep ik de anderen en die helpen dan om het mee naar huis te dragen,” zei Krien.
Lotje werd een beetje bleek om haar neusje door dit bericht.
“Maar zeg, hoe heet jij ?”
“Lotje Goedhart, “ zei het kleine beertje.
“Hmmmmmm, dat klinkt goed,” vond Mierus. “Je naam zegt het al dat je een goed hart hebt en ons geen niets in de weg zult leggen.”
“Ja, dát had je gedacht,” zei Lotje boos. “Jíj gaat hier weg!”
“En als ik het niet doe?”
“Nou dan ga ik boven op je staan, dan ben je dood.”
“Maar dat doe jij niet,” zei de kleine mier, “want daar heb je een veel te goed hart voor.”
Even was Lotje stil Er kwamen traantjes in haar ogen. “Ja dat is waar,” zei ze toen. “Nee, ik kan het niet.”
“Dat dacht ik wel,” zei de mier tevreden.” En nu opzij want er is werk aan de winkel en met het grootste gemak klauterde hij naar boven en verdween door een spleetje in het keukenkastje. Lotje zag hem nergens meer.
“Wacht maar,” dacht ze, “straks komen de anderen thuis en zorgen zij ervoor dat hij weggejaagd wordt. We moeten die brutale Krien en die hele hoop mieren zien tegen te houden.
Ze ging terug naar de huiskamer en probeerde weer te lezen, maar ze kon haar aandacht er niet meer bij houden. Elke keer dwaalden haar gedachten naar het keukenkastje waar de ongenode gast op zoek was naar allerlei heerlijkheden die tante Miep voor hen had achtergelaten voor zij vertrok. Lotje kon het nauwelijks verdragen, maar in haar eentje kon zij niets beginnen.
Het leek een eeuwigheid te duren voor de anderen thuiskwamen. Maar eindelijk hoorde ze geroezemoes op de trap en even later ging de voordeur open. Ondanks haar zere tenen, rende Lotje naar de hal.
“Er is een inbreker in huis,” riep ze opgewonden. “Een inbreker? vroegen ze geschrokken.  Brombie liep haastig de kamer in met de anderen achter zich aan.“Waar dan?” vroeg hij “ik zie niemand.” “In het keukenkastje, een mier." 
Lotje vertelde wat er gebeurd was. Iedereen had ademloos toegehoord
“Zo, dat is huisvredebreuk,” zei Floppie wijs.
“Watte?” vroeg Twinkeltje.
“Wel zo noemen ze dat als iemand ongevraagd je huis binnendringt. Huis-vrede-breuk”
“Wat is daar tegen te doen?” vroeg Klaartje
“Wel,” zei Brombie, “we moeten hem zien op te sporen en hem eruit gooien.”
Ze gingen meteen op zoek in het keukenkastje en keken de jampot na, de strooppot, de suikerpot, de hagelslag, de gekleurde muisjes, bussen met meel, maar nergens was de mier te vinden.
“Misschien is hij te verdronken in de azijnfles,” opperde Floppie  hoopvol. Maar ook daar was geen Mierus te vinden. Ze gingen op zoek in de andere kastjes in de hoop dat ze hem konden betrappen in de koektrommel. Ze schudden de snoeptrommeltjes leeg op het aanrecht waar alleen maar snoepjes uitrolden, maar niets wat op een mier leek. Ook de voorraadkast werd grondig nagekeken, maar de mier was niet te vinden.
“Ik denk dat hij al vertrokken is om al die andere mieren op te halen,” zei Brombie, “dus daar was het wachten maar op.”
Brombie wilde overleggen wat ze zouden doen. Meteen begonnen ze met zijn allen door elkaar te kakelen wat ze daar tegen moesten ondernemen.
“Stilte!” gilde Brombie boven het rumoer uit. “Ieder op zijn beurt wie een goed plan heeft.”
Pluisje vond dat ze een bordje moesten plaatsen bij de keukendeur waarop stond dat indringers hier niet gewenst zijn.
Floppie was voor korte metten maken. Dag en nacht een wacht zetten met een spuitbus in de aanslag om hen een kopje kleiner te maken. Maar het bleek al gauw dat niemand op wacht wilde gaan staan. Floppie stond alleen met zijn plan en hij zag wel in dat als hij zelf dag en nacht op wacht moest staan hij dat niet lang vol zou houden.
Brombie wilde een keurige ontvangst voorbereiden en dan de mierenfamilie aan hun verstand peuteren dat zij niets van hun  eten konden afstaan omdat ze dit zelf allemaal nodig hadden.
“Ben je mal,” zei Floppie spottend, “je denkt toch niet dat een invasie van honderden mieren jouw mooie praatjes geloven. Mieren zijn eigenwijze mormels die doen precies wat ze willen.”
“Ja dat is waar Brombie,” vond Twinkeltje, “daarom komen ze met zo velen, zodat niemand hen kan tegenhouden.”
“Daar zit wat in,” moest Brombie erkennen.
Klaartje vond dat ze beter tante Miep konden bellen in haar pensionnetje en haar vragen om naar huis te komen. Maar Lotje vond dat tante Miep niet gestoord mocht worden in haar vakantie. Daar was Brombie het roerend mee eens. “We moeten dit zelf oplossen,” vond hij.
Twinkeltje vroeg of er soms zoiets bestond als een muizenval maar dan voor mieren.
“Hè ja,” viel Floppie in, “als die met een klap dichtslaat hebben we er een paar te pakken, de rest krijgt dan de bibbers en slaat op de vlucht.”
Lotje rilde van afschuw.
Maar Pluisje vond dat haar idee van het bordje het beste was. Maar Floppie beweerde dat mieren niet naar school gingen en daarom niet konden lezen.
“Wel waar,” zei Brombie, “mieren zijn een heel intelligent volkje die lezen kunnen en schrijven ook nog. Dat weet ik van Eeckie die verschillende mierenvolken kent uit de tijd dat hij nog in het mastbos woonde aan de andere kant van Groenedaal. Dus toen was het bordje plaatsen nog niet zo´n gek idee. Pluisje glunderde.
“Tante Miep heeft vast nog wel een plankje liggen, beneden in de schuur,” mijmerde Brombie, “dan schrijven we daar een boodschap en plaatsen het bij de keukendeur.
Floppie knikte heftig.
“Maar dan moet het wel vlug gebeuren,” zei Lotje zenuwachtig, “want ik denk dat Mierus al gauw terug zal komen met zijn familie.”
Brombie stond op om naar beneden te gaan en Floppie die anders nooit zin had in zulke karwijtjes ging meteen mee. Een huis vol mieren leek hem verschrikkelijk. In de schuur vonden ze inderdaad een prachtige maar veel te grote plank. “Tante Miep heeft geen zaag helaas,” wist Brombie, “dus daar hebben we niks aan.” Ze zochten verder en rommelde tussen een heleboel spullen, maar ze vonden niets. Even later zag Floppie een oud houten kistje. Hij boog zich erover heen. Aan de zijkant zat een plankje los. “Hmmm” mompelde hij, “zou dit wat zijn?”
“Ben je mal,” zei Brombie, “er zitten spulletjes in.
“We kunnen het toch even lenen van Tante Miep en het later er weer aan vast spijkeren, het is toch maar een oud kistje. Maar Brombie voelde zich er niet gelukkig mee. We moeten verder zoeken. Maar ze vonden niets anders. Brombie zuchtte, er zat niets anders op dan het  plankje van het kistje te lenen. Voorzichtig werd de plankje losgemaakt en gingen er mee naar boven.
En nu: wát moet erop komen te staan?
“Streng verboden voor mieren,” vond Brombie.
“Mag ik het erop schrijven,” vroeg Klaartje. Brombie knikte. Klaartje rende naar de kast om een grote zwarte viltstift op te halen. Heel langzaam om vooral geen fouten te maken begon ze te schrijven terwijl Brombie haar hielp met het spellen. En uiteindelijk stond het er:

               STRENG VERBODEN VOOR MIEREN.
Ze was heel warm geworden want het was toch wel een heel karwij om het netjes te schrijven.
Pluisje klapte vol bewondering in haar handen. De anderen keken goedkeurend. Toen werd het bordje buiten op de muur gespijkerd, vlakbij de deur. Ziezo dat was dat.

Het werd een spannende tijd. Maar er gebeurde niets. Die dag niet en de volgende dag ook niet. De hele volgende week zelfs, gebeurde er niets. Krien was in geen velden of wegen te bekennen en ook van zijn familie geen spoor.
“Ze hebben vast het bordje gelezen,” zei Klaartje, “en dat heeft vast indruk gemaakt. Ze durven niet meer te komen.”
 “Zullen we het bordje maar weghalen Brombie?” vroeg Klaartje.
“Nee nee,” zei Brombie “laat het nog maar een tijdje hangen. Je weet maar nooit.” Ze snapten er niets van en Lotje al helemaal niet. Maar na een paar dagen werd de hele zaak vergeten.